Institutie van Calvijn, boek 2

Wij ontlenen aan de Institutie, vertaling Dr.A.Sizoo, uitgever Meinema, Delft, zesde druk, het volgende citaat.

In 1559 schreef Calvijn in boek 2, hoofdstuk V:

Dat de kennis Gods schittert in de bouw der wereld en in haar voortdurende besturing.

Paragraaf 2.

Zowel in de hemel als ook op aarde zijn ontelbare bewijzen, die getuigen van zijn wonderbare wijsheid: niet slechts die meer verborgene, tot wier nadere beschouwing de sterrenkunde, de geneeskunde en de gehele natuurwetenschap bestemd is; maar ook die, welke zich voordoen aan de blik van de ongeleerdste leek, zodat de ogen niet geopend kunnen worden, of ze worden gedwongen er de getuigen van te zijn.

Voorzeker, zij die wetenschappen ingedronken hebben of ook er oppervlakkiger kennis mee hebben gemaakt, komen met behulp daarvan tot een veel dieper inzicht in de verborgenheden der Goddelijke wijsheid; maar toch wordt niemand door onbekendheid met die wetenschappen verhinderd meer dan genoeg kunstigheid te zien in de werken Gods, zodat hij ten gevolge daarvan in bewondering geraakt voor de Kunstenaar.

Ongetwijfeld is er bekwaamheid en meer nauwgezette ijver nodig om de bewegingen der sterren te onderzoeken, hun standplaatsen te verdelen, hun onderlinge afstanden te meten, hun eigenaardigheden waar te nemen, en wanneer men dat alles doorzien heeft dan is het passend, dat evenals Gods voorzienigheid zich helderder vertoont, zo ook de geest aanmerkelijk hoger opstijgt om zijn heerlijkheid te beschouwen.

Maar dat zelfs de eenvoudigste en ongeleerdste mensen, die alleen toegerust zijn met het hulpmiddel der ogen, niet onkundig kunnen zijn van de voortreffelijkheid der Goddelijke kunst, die zich van zelf in die ontelbare en toch zozeer onderscheiden en geordende verscheidenheid van de hemelse legerschare openbaart, staat het vast, dat er niemand is, aan wie de Here niet overvloedig zijn wijsheid kenbaar maakt.

Op gelijke wijze is het een werk van uitnemende scherpzinnigheid in de bouw van het menselijk lichaam de verbinding, de evenredigheid, de schoonheid en de doelmatigheid te overwegen met zulk een schranderheid, als Galenus* aanwendt.

Maar toch vertoont, volgens ieders bekentenis, het menselijk lichaam een zo vernuftige bouw, dat daarom terecht de Maker bewonderenswaardig wordt.

* In zijn werk: "De usu partium".

Commentaar

Calvijn verzette zich in tegenstelling tot Roomse geestelijken in die dagen niet tegen de natuurwetenschappen. Hij claimde de resultaten prompt tot verhoging van de eer van God.