Behoren Adam en Eva tot de soort Homo sapiens?

Wat kan er vanuit de natuurwetenschappen gezegd worden over Adam en Eva?

Eigenlijk helemaal niets. Er is niets aanwezig wat onderzocht zou kunnen worden. De bijbel vermeldt evenwel uitdrukkelijk dat zij de voorouders zijn van alle mensen. Natuurwetenschappers kunnen wel het lichaam van huidige mensen onderzoeken. Wij stuiten op een diepgaand verschil in betekenis tussen bijbel en natuurwetenschap ten aanzien van de mens. Eigenlijk spreken zij twee verschillende talen die op het eerste gezicht nooit een geintegreerde openbaring kunnen opleveren.

Bijbel

Natuurwetenschappen

Persoonlijke visie

Ik wil hier geen calvinistische visie uitdragen*, maar geef een persoonlijke benadering. Het schijnbare dilemma tussen bijbel en natuurwetenschap kan niet in de bronnen liggen, die immers beide openbaring zijn van God. Het kan alleen liggen in de menselijke interpretatie van wat wij in beide boeken lezen. Ik nodig theologen uit zich te bezinnen op de mogelijke juistheid van de volgende punten:
Een synthese in de beide bronnen is dan heel duidelijk. Wij kunnen ons het specifieke van de schepping van Adam voorstellen als het zich verbinden - voor het eerst in de geschiedenis - van de pertinente aanwezigheid van de Geest aan een stoffelijk wezen. Aan een organisme werd de ongelooflijke scheppingsdaad voltrokken tot op zekere hoogte de Geest van God te mogen dragen. Adam is daarin de voorloper van Christus, waar de levendmakende Geest in alle volte woning heeft gemaakt in een mens: de Godmens. Door hem kunnen ook allen die zich tot Christus wenden en gehoorzaam worden aan de Vader ten volle Geest dragers worden: nieuwe Mensen.

Laat niemand dit grandioze geschenk door klakkeloos ongeloof afwijzen. Uiteraard geven de natuurwetenschappen geen begrip van, of greep op de Geest van God. De natuurwetenschappen spreken alleen over het lichaam van de mens. Zij mogen dat volgens geldende regels indelen bij de Hominidae en er de soortsnaam Homo sapiens aan verbinden. Het wezenlijk kenmerkende van de mens was evenwel dat hij het beeld van God droeg en dat ook in Christus weer terug kan ontvangen. Het bijzondere van Adam was een eerste verbintenis tussen Geest en stof. Dat mag ons wereldbeeld zijn. De "mens" is geen begrip uit de natuurwetenschap. Hij draagt het beeld van God. Om het specifieke daarvan te zien moet je dus naar God zelf "kijken"; naar Jezus Christus. Ieder die hem gezien heeft, heeft de Vader gezien.

Een veel uitgebreidere analyse van het boven geschetste schijndilemma is te vinden in hoofdstuk 14 van mijn boekje "Toekomstmuziek". Wellicht kan ook http://www.scheppingsfasering helpen om te gaan zien dat de mens uit de Bijbel iets geheel anders is dan Homo sapiens.

Het is goed mogelijk dat God ook zeer speciaal ingegrepen heeft in het genetisch materiaal. Hij vormde Adam uit het stof, uit aarde. Wij moeten hier niet denken aan wat wij "stof" noemen in ons huishouden of in de landbouw. Eerder valt te denken aan "materie". Het specifieke van Adam was dat hij de eerste brug tussen Geest en materie was. Daar is alle scheppingswerk op gericht geweest en het mag ook gezien worden als voorbereiding op de komst van Christus in het vlees. In Christus is alles geschapen, door hem wordt de hele kosmos verlost en door hem wordt alles nieuw gemaakt. Een laatste speciale voorbereiding van de stof voordat de Geest wordt ingeblazen zou de tekst wellicht het best verklaren. Ook is dat wellicht mede een verklaring voor de opvallend kleine genetische amplitudo van Homo sapiens. Mogelijk geeft dat ook een verklaring waarom Eva moest worden geformeerd uit Adam.
Hoofdpunt blijft dat de mens "ware gerechtigheid en heiligheid" kreeg, de Geest van God mocht voeren, zijn beeld vertonen. De Schrift geeft als het ware een juichtoon: De voorbereiding is klaar: de materie kan als woning van de Geest worden gebruikt, dit belangrijke moment is bereikt en God kan nu zijn Geest inblazen. Hij doet dat Persoonlijk, niet door het geven van een opdracht aan de aarde (materie). Een geestelijk levend wezen, de ambtsdrager, de rentmeester staat klaar.

* Ik wil dat niet doen omdat heel veel calvinisten wel degelijk vooral het lichaam van de mens veel aandacht willen schenken. Hen dreigt daardoor het heel speciale te ontgaan wat ons van de mens wordt gemeld: beelddragen van God is niet gelegen in ons lijf maar in "ware gerechtigheid en heiligheid". Calvijn heeft dit misverstand ook al ervaren en schrijft er in zijn Genesis commentaar over: "Al te dom is het, met de Anthroporunphisten het Beeld Gods in het lichaam des menschen te zoeken. Hunne dwaasheid gaan wij daarom met stilzwijgen voorbij". Wil ik hiermee aangeven dat mijn broeders en zusters dom zijn? Zeker niet! Wel valt op te merken dat er op het punt van een juiste mensvisie - zo goed als op vele andere punten - in het calvinisme onvoldoende samenwerking is tussen disciplines. Theologen moeten in hun exegese niet buigen voor natuurwetenschappen, maar ze moeten wel met hun broeders en zusters uit andere disciplines samenwerken en zoeken naar een wereldbeeld berustend op beide kenbronnen. Dat hoeft de exegese helemaal niet aan te tasten, maar vult die wel aan. Rentmeesterschap is niet beperkt tot theologie! Omdat God ook gekend wordt uit studie van de natuur, zou je kunnen stellen dat natuurwetenschap tot de theologie behoort. De gemiddelde christen natuurwetenschapper doet in zijn leven veel meer kennis op van de Bijbel dan theologen hebben van de natuur. Een gemiddelde theoloog van ca vijftig jaar zal niet veel meer dan 500 uur hebben besteed aan natuurstudie; voor een christen natuurwetenschapper is de tijd besteed aan studie van de Schrift via catechese, prediking, verenigingswerk en het lezen van opiniebladen en boeken te begroten op ruim 10.000 uur. Ik stel dat bewust een beetje uitdagend in de hoop predikanten enigszins te interesseren voor deze blinde vlek. Artikel 2 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis spreekt uitdrukkelijk over twee kenbronnen!